Vakken
Engels
Frans
Duits
Spaans
Nederlands
Grieks
Portugees
Italiaans
Latijn
Japans
Biologie
Aardrijkskunde
Natuur- en scheikunde
Wiskunde, rekenen
Economie
Geschiedenis
Eigen methodes
Alle vakken
Home
›
Alle vakken
›
Eigen methodes
›
Handvaardigheid klas 1 begrippen die wij moeten leren
› 2 tekenen, begrippen die wij moeten leren!
Helaas is de overhoormodule niet beschikbaar. Wel kun je deze lijst overhoren via StudyGo. Klik op 'Overhoren'
Handvaardigheid klas 1 begrippen die wij moeten leren
2 tekenen, begrippen die wij moeten leren!
Jaar 1 (Gymnasium)
Link voor email / website
Link naar overhoring, zonder bewerk/reactiemogelijkheid (ELO)
Open met deze code de oefening in miniTeach
Twitter
Facebook
Google+
LinkedIn
Algemeen: Vormgeving= Dit is de manier waarop bijv. kindertekeningen, gebouwen, kleding en landschappen zijn vormgegeven. Beeldende kunst = schilderijen, tekeningen, film en beelden behoren tot de beeldende kunst. De kunstenaar zet zijn ideeën en gevoelens om in kunstwerken. Een voorbeeld uit de beeldende kunst is bijv. fotografie Beeld = We kennen drie soorten beelden. Een beeld van een beeldhouwer, of een beeld in een schilderij en de derde is een beeld in fantasie. Dit beeld stel je dan voor, in gedachten. Materiaal = We kennen verschillende materialen zoals hout, steen, kunststof, krijt, verf en inkt. De kunstenaar werkt hiermee en dit noemen we dan de techniek. Wanneer een kunstenaar schildert met verf is de techniek: schilderen. Technieken = Als de kunstenaar met een materiaal werkt noemen we dat de techniek. We kennen voor verschillende materialen verschillende technieken. Zoals bijv. hakken, schuren, boetseren, vlechten enz. Inspiratie = kunstenaars laten zich inspireren door verschillende zaken om hun heen. Ze halen daar ideeën vandaan. Dit kan bijvoorbeeld de natuur zijn of misschien wel een stad. Ook laten veel kunstenaars zich inspireren door andere kunstenaars. Lijn: Lijnsoorten = lijnen kunnen op verschillende manieren worden getekent. Recht, strak , dik, dun, ribbelig, vloeien, slingeren. lijndikte = dikke lijnen maken een andere indruk dan dunne lijnen, dikke lijnen zijn krachtiger en harder. In striptekeningen zie je veel afwisseling in lijnen. Contour = omtreklijn Lijnwerking = door gebruik van lijnen kunnen er bepaalde effechten worden bereikt. Zols diepte maken, beweging laten lijken. Met zware countouren kun je iets laten opvallen. arceren = bij arceren vul je een vlak op met lijntjes die in verschillende richtingen lopen. Deze kun je heel dicht bij elkaar zetten zodat het donder wordt of juist verder uit elkaar zetten zodat het lichter wordt. Je krijgt op deze manier diepte in een tekening. Tekenen: Drager = ondergrond, bijvoorbeeld papier, doek, karton. Tekenmaterialen = potlood, krijt, houtskool, stiften. potloden = We kennen B-potloden en H-potloden. B-potloden zijn erg zacht en daar kun je mooie schaduwen mee maken, deze kun je ook goed uitvegen. H-potloden zijn veel harder en daar kun je mooie scherpe lijnen mee zetten. Architechten gebruiken H-potloden om tekeningen te maken. Houtskool = verkoold hout Vetkrijt = wasco, bestaat uit olie en pigment (kleur) Pentekening = tekeing bestaat uit lijnen, zoms gemaakt met een kroontjespen en inkt. Oost-Indische inkt = zwarte inkt, afkomstig uit China. Sepia = zwartbruine inkt, afkomstig van de sepia-inktvis. Compositie: compositie= de manier waarop iets is geordend. Dit is een belangrijk onderdeel voor veel kunstenaars. Hiermee kan de kunstenaar iets laten opvallen in een schilderij bijvoorbeeld. Diagonale ordening = Hierbij loopt de ordening via een schuine lijn op het beeldvak (schilderij). Dit kan soms een druk en onrustig beeld geven, ook krijg je op deze manier veel beweging in een schilderij. Driehoekscompositie = Je kunt in je schilderij een soort van driehoek ontdekken. Dit geeft een rusig beeld. Centrale compositie = hierbij staat het belangrijkste in het midden van een schilderij. Denk aan een stilleven. overallcompositie = hierbij zijn alle elementen verspreid over het hele beeldvak (schilderij) symmetrisch = aan beide zijden gelijk, spiegelbeeldig asymmetrisch = beide zijden zijn ongelijk dynamisch = beweeglijk statisch = rustig, stabiel afsnijding = deel van de voorstelling is weggelaten om diepte te krijgen. overlapping = bepaalde delen zijn over elkaar heen geplaatst om zo diepte te krijgen. Denk aan het beeld van een bos met bomen.
Ingezonden op 03-06-2012 - 4281x bekeken.
Waardering 7.4 (aantal stemmen: 6)
voting system
1
2
3
4
5
Heee, als er spelfouten in zitten zeg het ff
haha
suc6
Maak gratis account aan
Toon volledig menu
Door deze site te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies voor analytische doeleinden, gepersonaliseerde inhoud en advertenties.
Meer informatie.
Overhoor en verbeter je talenkennis op woordjesleren.nl. De grootste verzameling van Franse, Engelse, Duitse en anderstalige oefeningen. Naast talen zijn ook andere vakken beschikbaar, zoals biologie, geschiedenis en aardrijkskunde!